17.6.15

Bedenking over tijdreizen



Mij lijkt het logisch dat de dag dat iemand de techniek van het tijdreizen ontdekt, dat alleen mogelijk zal blijken in de tijd vanaf het moment van de ontdekking, want daarvòòr was het dus nog niet ontdekt. Tenzij mij iets ontgaat natuurlijk, en dat overkomt mij geregeld, vooral daar waar het over chronologie gaat in mijn leven.

16.6.15

Al wat je zegt ben je zelf!



In die tijd was ik al wat ik zei ook al zelf natuurlijk, maar toen had ik dat niet helemaal door. Nu zeg ik zelf niet zo veel meer omdat ik het zelf niet allemaal meer zo precies weet, ik bedoel, tegenwoordig zeg ik doorgaans zomaar wat! Maar dat is dus ook omdat ik dat zelf ook ben zou je kunnen zeggen. De enige vraag die dan rijst is: ben ik nog wie ik vroegr was, als ik het zelf zeg?

15.6.15

Jan en Ingrid (Een troostrijke gedachte)


“Kom Jan, zeg nog eens iets poëtisch!"
"Zolang er in de hemel iemand aan ons blijft denken zijn we niet echt dood!"
“O, wat een troostrijke gedachte, hoe kom je er op?”.
“Ik put uit mijn religieuze inzichten!!!"

14.6.15

Vrouwenbenen



“Wil je mijn benen zien?” vroeg hij.
Dat vond ik een vreemde vraag.
“Of ik je benen wil zien?"
“Ja, ik heb vrouwenbenen nu. Op een dag mee wakker geworden."
Hij had de laatste tijd inderdaad een nogal eigenaardig loopje ontwikkeld, besefte ik. Dit was dus de verklaring.
“Ik dacht dat je aan de drank was,” zei ik, zijn woelig gevoelsleven kennende en daaraan had ik het dus toegeschreven.
“Neen hoor, niks drank. Het zijn vrouwenbenen, kijk maar. En hij trok zijn broek uit.
Ik keek en inderdaad, hij bleek twee gave vrouwenbenen te hebben.
“Allemachtig,” prees ik. Iet anders kwam niet meteen bij mij op.
“Ja hé,” antwoordde hij, terwijl ook hij ze nauwlettend monsterde.
“Dat veranderd uiteraard hoe ik in het leven sta,” verklaarde hij ineens.
Dat zag ik natuurlijk ook in.
“Maar we blijven toch vrienden?"

13.6.15

Vaak wederkerend gesprekje tussen Hansje en de heks

“Wordt je nu al wat dikker? Aan je billetjes?"
“Nee, dat valt nog aardig tegen."
“Het mag er stilaan van komen."
“Geduld, het komt er wel van."
“Daar ga ik van uit, ja. Anders loopt het slecht met je af."
“Ik wordt heus wel dikker hoor."
“Dan is het goed!"

12.6.15

Een aforisme van oom Floris


Het blijft toch vreemd dat politici altijd eenvoudige antwoorden hebben op moeilijke problemen, maar dat wanneer een nadenkend burger daar dan vragen over stelt, diezelfde politici ijskoud antwoorden “dat het allemaal veel ingewikkelder is dan men denkt”!?

11.6.15

De spreekbeurt



Tijdens het houden van een spreekbeurt
over zijn lievelingsdier
zag Jantje
tot zijn spijt
in de ogen van zijn klasgenootjes
niet overal dezelfde begeestering.
Hij vermoedde niet
dat dit de rest van zijn leven
zo zou blijven.

10.6.15

Vannacht


Ook vandaag is iets
onherroepelijks verloren gegaan.
Laten we daar vannacht
van dromen

9.6.15

Dralende mannen



Mits wat oefening herkent u ze wel, dralende mannen, voor een vakbondslokaal bijvoorbeeld.

8.6.15

Ijzeren gedachten



“Ijzeren gedachten zijn het zwaarst!"
“Maar vaak heb je wat hulp nodig om ze te plooien."
“Ik niet hoor."
“Hoezo?"
“Ik smelt ze."
“Tot kleine juwelen of voorwerpen van dagelijks nut?"
“Hoe kom je daarbij?"
“Wat moet je anders met ijzeren gedachten?"

7.6.15

De verdeelde heerser



Blijkbaar na een barre tocht door een louterende woestijn verscheen er eens een verdeelde heerser.
“Laat ik nu eindelijk eens beginnen met heersen,” zei hij hardop, als wilde hij die woestijn vergeten en hij besteeg een hoog balkon om het reeds toesnellende volk toe te spreken.
“Kijk hen daar eens staan,” dacht hij terwijl hij hen minzaam toewuifde,” zij konden mij evengoed onthoofden."
Maar daar dacht het volk niet aan, omdat het in hem de wijsheid van de woestijn vermoedde.
Daarop kuchte de verdeelde heerser en hij begon meteen verdeeld te heersen.
Nu hij op het balkon stond was hij toch de meest aangewezen persoon.

6.6.15

Terugblikkend


“Ben je nu blij dat je tevreden bent?"
"Alsnog wel, ja."

5.6.15

Onze landschappen



Naarmate wij dachten de mysteries te hebben ontsluierd, begonnen wij zèlf onze landschappen te bouwen, waar wij dan met zijn allen in verloren liepen. “Natuurlijk," zo geloofden wij haast zeker, "raken wij er wel weer uit," dat was maar een kwestie van het volgen van een regenboog die tijdig op zou duiken, helemaal op ’t eind, als wij er alleen voor stonden, zonder iemand om wat anders te verzinnen.

4.6.15

Een aforisme van oom Floris



Niet elke stap in de goede richting is er een vooruit!