18.9.14

Bij herkenning



„Kijk. Dit is mijn broek.”
„O! Wat je nu zegt!”
„Je mag er eens ik kijken hoor.”
„Pardon?”
„Dat je er gerust eens mag in kijken.”
„In je broek?”
„Ja, hier. Kijk maar.”
„Er staan letters in.”
„Ja. En een cijfer.”
„Ja, dat ook.”
„Daar kan je mij aan herkennen.”
„Jou herkennen?”
„Ja, indien je deze broek ergens zou vinden dan weet je van wie ze is.”
„Van jou!”
„Ja, en dan kan je ze mij altijd terug bezorgen.”
„Meen je dat nu ernstig?”
„Neen hoor.”
„Dus dan mag ik ze houden?”
„Als je ze vindt, dan wel.”
„Dank je.”
„Maar het zou niet echt eerlijk zijn.”
„Nee, eens ik ze herken natuurlijk."
"Maar het zou echt wel een treffer zijn indien uitgerekend jij ze zou vinden!"




17.9.14

In antwoordende zin (8)



.../...

Of ik nu heel hard moet werken voor iets of niet heeft zeker invloed op de waarde die ik er achteraf aan hecht. Maar ik denk ook dat ik de waarde van de dingen ook zo wel weet te appreciëren, ongeacht of ik er nu gemakkelijk aan ben gekomen of niet. Coherent argumenteren is belangrijk uiteraard, maar soms verkies ik toch pure kolder. Vrijdagen of zaterdagen, het ligt dicht bij elkaar, maar uiteindelijk denk ik toch dat ik nog het liefst op zaterdagen leef. Vluchten naar en bijstand zoeken in het Shodlik Paleis in Tashkent in Oezbekistan? Nog nooit van gehoord, maar ik denk dat er betere plekken zijn, minder ver. Het is inderdaad een overweging waard: minderjarige kruiers (in exotische landen weliswaar, want hier vind ik er geen), tot hoeveel kilo of het equivalent in lokale gewichtseenheden mag je verwachten dat zij vlot horen te kunnen tillen? Toch zo’n dertig à vijfendertig kilo, niet? Jee, ik heb nooit geweten dat er ooit een valies met verhalen van Hemingway werd gestolen op een Parijs’ perron, omdat hij zoveel koffers en valiezen bij zich had dat hij het geheel niet kon overzien. Wat sneu voor hem (en voor ons). Zo’n slordig iemand verdient zoiets toch gewoon, zegt u? Ik vind het woord 'zoiets' op zijn beurt hier zelf ook nogal slordig, als u dat maar weet!



.../...



Spelen



Ja hoor, ik weet hoeveel zessen zij heeft gegooid. Na elkaar bedoel ik dus. Die avond, toen zij alles won. Ik was daar bij. Maar niemand vraagt daar nog naar. Velen lijken het te zijn vergeten. Ik niet hoor. Ik weet het nog. Wij hebben dat spel hier trouwens nog ergens liggen. Neen, spelen doen wij al lang niet meer.




16.9.14

Het signaal



Alweer werd ik aan mijn mouw getrokken:
„Er komt zeker een signaal,” zei hij, „Een niet mis te verstaan signaal!”
„O!” antwoordde ik verrast, al is dat als antwoord uiteraard niet zo duidelijk, maar het was goed nieuws, en volkomen onverwacht.
„Ja, zorg dat je het niet mist.”
„Nee. Dank u om er mij op te wijzen!”
Sindsdien loop ik op kousenvoeten en doorgaans ook met de blik op oneindig.





15.9.14

Personeel



Ik ben vannacht wakker geworden omdat ik gewaar werd dat er een engel aan mijn voeteneind stond.
„Wie ben jij,” vroeg ik, niet eens erg opgeschrikt.
„Ik ben een begeleidende engel en ik kom je ophalen.”
Hij sprak met een verbazend hoge stem.
„Mij ophalen? Nu? Waarom zo ineens?”
„Mensen als jij kunnen wij gebruiken, nu meer dan ooit, denk ik.”
„Mensen zoals ik? Maar ik voer toch geen klap uit. Ik laat alles doen door knechten, bedienden en bijzonder personeel.”
„O!? Wij hadden de indruk dat jij…”
„Nee hoor, dat is maar schijn.”
„Mag ik een slokje water?”
„Ja hoor,” en door aan een bel aan een touwtje te klingelen ontbood ik mijn kamenier om een karafje.

„Zo, dan ga ik maar weer,” zei de engel, nu met een iets normaler stemgeluid.
Het was de butler die er voor zorgde dat hij verder zonder omwegen vertrok.



13.9.14

De beloning



Ik haastte mij uit de lift de vestibule in, waar men mij verwonderd aansprak:
„Waar rep jij je zo opgedirkt heen?”
„Ik ga mijn beloning ophalen,” lichtte ik mijn haast toe.
„Beloning? Welke beloning? Waarvoor wordt jij dan beloond?”
„Voor wat mij toekomt, niet meer of minder, denk ik,” want zo grondig had ik de uitnodiging niet gelezen.
„Maar jij verdient helemaal geen beloning. Jij voert geen klap uit, jij betaalt je schulden niet en jij zingt vals!”
„O!?” zei ik
„Neen. Denk maar niet dat jou daar een beloning te wachten staat!”
Een aantal omstaanders schoot nu in een smakelijke lach.
Dank zij deze toevallige ontmoeting besloot ik stante pede rechtsomkeer te maken en weerom mijn vertrouwde plunje aan te trekken. Voor een beloning moet je een klap uitvoeren, je schulden betalen en juist zingen blijkbaar. Dat is het toch?



12.9.14

In antwoordende zin (7)


.../...

Vroeger had ik enorm veel last van wat ik dacht sinusitis te zijn. De laatste jaren heb ik daar gelukkig veel minder last van. Het was zo’n zeurende en tegelijk scherpe pijn, die mij belette iets zinnigs te doen met mijn leven. Nu heb ik dat excuus dus niet meer. Is het nu de „wetenschap” of de „kunst” van de artillerie? Beide woorden vind ik doorgaans nogal misplaatst in de context waarin men het woord 'artillerie' gebruikt. Maar ik begrijp natuurlijk wel wat zij die er in geïnteresseerd zijn er mee bedoelen. Dat is erg eenvoudig. Neen, ik heb niet echt iets tegen zinsneden als: „De wetenschap of de kunst van het…” of „De wetenschap, ja zelfs de kunst van het …”, maar wel heb ik dikwijls de indruk dat mensen die zich op die manier uitdrukken zich erudieter willen voordoen dan ze zijn. Vreemd, het is weer zo’n naam waar ik nooit onmiddellijk op kom: Jean Brusselmans.



.../...

11.9.14

Helemaal voor de hand



„We moeten blaken natuurlijk.”
„Ja. Zeker. Maar ook wat uitstralen, vind ik tegenwoordig.”
„Ook dat ja, maar niet overdreven.”
„Neen, zeker niet tot wij nog een ons wegen.”
„Of bijna een ons.”
„Gewoon stevig blaken en een ietsje uitstralen, dat volstaat.”
„Zelfvertrouwen is het geheim hé.”
„Ja, zelfvertrouwen.”
„Dat ligt toch zo voor de hand.”
„Helemaal zelfs."



9.9.14

Wetenschappelijk!



„Fel doorgedreven archeologisch en sociologisch onderzoek heeft uitgewezen dat jouw moeder niet het liefste wezen op aarde was.”
„O neen?”
„Neen, dat was een chlamydosaurus kingii of kraaghagedis die Nellie heette, ergens in een Australische zoo, in de jaren '80 van vorige eeuw.”
„Een kraaghagedis?”
„Ja, een volkomen ongevaarlijk diertje van zo’n 35 centimeter.”
„En die was nòg liever?”
„Dat blijkt nu.”
„Ik zou eerder aan een panda gedacht hebben.”
„Een panda, hoe kom je daarbij?”
„Om de kleuren denk ik.”
„Zijn panda’s dan lief?”
„Zo zien zij er toch uit.”
„Helemaal niet hoor.”
„Wat had ik graag gehad dat het mijn moeder was.”
„Neen, dat staat nu wel wetenschappelijk vast!"



7.9.14

Het landje aan de overkant



Dààr, op het eilandje helemaal in het midden van de vijver, ligt het kleinste landje van de wereld. Hoe het zo is kunnen krimpen weet ik niet, het heeft lang weerstand geboden ook. Door te teren op de wilskracht èn de goedgelovigheid van zijn bevolking denk ik soms, wanneer ik er, zoals nu, naar kijk.
Veel meer ga ik u over het landje niet vertellen, over zijn despootjes bijvoorbeeld. Of het ontbreken van echte bibliotheken. U zal er toch nooit komen. Of misschien toch wel? Later? Maar dan kan u best nu even naast mij komen zitten en meekijken. Benieuwd of u het ziet.



In antwoordende zin (6)



.../...


Ik kan héél goed fietsen! Ik herinner mij eigenlijk helemaal niet meer hoe en / of wie mij heeft leren fietsen (al lijkt het mij logisch dat het mijn vader was). Maar ik veronderstel dat ik het heel snel, heel goed kon, anders had ik er beslist een trauma aan overgehouden en waarschijnlijk nog geweten wie mij dat aandeed. Je kind leren fietsen is een van die zalige belevenissen die een mensenleven verrijken. Mijn gevoelens zijn garnaalgrijs aan de buitenkant, maar binnenin zijn ze veelkleurig en zoetgeurend, een beetje zoals toverballen, maar ik sta niet toe dat iemand ze in zijn mond stopt hoor. En dan zijn er de krokante, en die deel ik met niemand. Ik ondervind meer dan mij lief is dat ik mezelf niet mag vertrouwen. Dat gaat zo ver dat in mijn oordeel over mezelf regelmatig de woorden 'sujet' en 'ruggengraat' opduiken. Ik heb niet echt een aangeboren aanleg om mezelf te zijn, zoveel heb ik al wel over mezelf geleerd. Ik heb er goed over nagedacht: neen, ik wil niet ruilen met Godzilla (mocht dit ineens mogelijk zijn.) Ik zei al dat ik niet Godzilla zou willen zijn, maar wel Zorro! Als dat zou kunnen, dan zou het hier nogal eens veranderen !!! Ik herhaal het nog één keer: ik wil absoluut Godzilla niet zijn, zet dat uit jullie hoofd. En nu kom ik hier niet meer op terug!



.../...

6.9.14

Het is wat waard



„Dat is toch ook wel wat waard hé?”
„Ja.”
„Zelfs achteruit!”
„Hoezo?”
„Kijk dan!”
„Ik zie niks.”
„Je ziet niets?”
„Neen.”
„Ai, en nu is het voorbij.”
„Jammer. Maar ik geloof je zo ook wel hoor.”
„Ja.”
„Het zal heel miniem geweest zijn.”
„Ja, je moet het eigenlijk weten om het te zien.”
„Dat dacht ik al!”
„Dus is het wel wat waard toch?”
„Natuurlijk."




4.9.14

Even veelbelovend



Ik heb nooit geweten wat karbonkels waren, maar het leek mij echt iets om aan een vrouw te geven, bij het tweede afspraakje.
„O Karel! Twee karbonkels en één fistel! Dat had je toch niet moeten doen!!!”
„Ach Mina, bazel niet, je verdient het, jij bent een èchte vrouw, toch!?”
Fistel, ook dat moet nu eindelijk toch eens opzoeken. Het klinkt al even veelbelovend.



3.9.14

De meesterlijke Beethoven



"De tweede beweging van de 2de van Beethoven.”
„Ja, wat is er daarmee?”
„Kan jij je die voor de geest halen? Of neuriën?”
„Zomaar voor de geest halen of neuriën? Nee.”
„Jammer.”
„Maar het zal wel meesterlijk zijn, toch!”
„Jazeker.”
„Dat heb je natuurlijk wel met Beethoven. Dat is altijd goed.”