24.10.14

Beterschap



Ook de dieren
hebben het over
beterschap.
Ja,
in niet meer
zo bedekte termen.




23.10.14

Hoger op!



„Bent u nu hoger op geweest?”
„Pardon?”
„Hoger op? U wilde toch hoger op?”
„Ik? Neen hoor. Dat was mijn broer.”
„Uw broer?”
„Ja, die wilde altijd al hoger op. Van kleins af aan.”
„Het was uw broer?”
„Ja. En ook wel een beetje mijn zus. Die wilde dat ook wel.”
„Maar u niet.”
„Neen. Dat hebt u echt verkeerd voor.”
„Ik dacht werkelijk dat u het ooit ook geprobeerd hebt.”
„Ja, ooit wel. Maar het bleek niets voor mij. Mijn hart zat er niet echt in.”
„Ja, dan wordt het niks natuurlijk.”
„Vandaar dus, echt hoger op ben ik nooit geweest."



21.10.14

Een aforisme van oom Floris



Nattigheid voelt een mens doorgaans alleen wanneer het eigenlijk al te laat is.



20.10.14

Met cello



„Wat ziet u er voornaam uit!” zei hij spontaan.
Dat was precies wat ik ook van mezelf dacht. Ik droeg namelijk mijn cello in zijn aangepaste kist.
„Dat komt omdat ik deel uitmaak van een cello ensemble.”
„Hoe lang al?” vroeg hij.
Ik zei dat dat nu toch al een jaar of twee het geval was,” wat verklaarde dat ik er blijkbaar toch al een beetje naar liep.
„Al twee jaar! Het lijkt véél langer.”
Ik begreep wel waarom hij dat van mij dacht en gaf toe dat ik ook wel af en toe in een symfonieorkest speelde.
„O ja?!” reageerde hij verrast.
„Ja hoor,” antwoordde ik verduidelijkend.
Zo zag ik er dus ook wel een beetje naar uit, zoals hij het bekeek althans, zei hij. Toen groette hij en liep door.
Dit was alweer een ontmoeting met iemand die mij niet helemaal correct inschatte.



14.10.14

Het verrassingseffect (Bladzijde zevenentwintig)



"Denkt u dat ik ooit in een boek terecht kom?”
„Hoe kan ik dat weten?”
„Als ik er ooit in een terecht kom, dan het liefst op bladzijde zevenentwintig.”
„Op bladzijde zevenentwintig? Waarom daar?”
„Omwille van het verrassingseffect! Ik denk dat u nogal zou opkijken!”



13.10.14

Met bloemen



„En zij? Voedt zij jou ook met bloemen?”
„Ja, met van die dikke doornen eraan.”
„En slik jij die dan gewoon door?”
„Ja, dat ben ik wel gewoon geraakt in de loop der jaren.”
„Maar dat verteert toch moeilijk?”
„Ja, en ik laat er verschrikkelijk stinkende winden van.”
„En pikt zij dat?”
„Eigenlijk wel. Vreemd eigenlijk…”
„Helemaal niet. Het houdt jullie aan de gang, toch?"



Het zwijgen



"En, is alles verborgen?”
„Ja.”
„Ook de leegte?”
„Ja.”
„En de stilte, die ook?”
„Ja. Die ook.”
„Want dat zijn de moeilijkste vermoed ik.”
„Neen hoor, dat is het zwijgen.”
„Het zwijgen?”
„Ja, je kan alles verbergen, maar zwijgen, dat is het allermoeilijkste. Verstop dat maar eens."



Bladmuziek



„Iedereen daar kan bladmuziek lezen!”
„O ja, en wat dan?”
„Zo kunnen ze als vanzelf ook met z’n allen samen zingen!”
„Doen ze dat dan vaak?”
„Nee, nooit eigenlijk. Nu je het zegt."



12.10.14

Over tante Manse



„Die tante Manse van jou?”
„Ja, wat is daarmee?”
„Die begon op zekere leeftijd toch een raar geluid te maken toch?”
„Raar?”
„Ja, raar.”
„Maar ze was altijd goed van inborst hoor.”
„Ja, dat was wel zo.”
Misschien dat dat het geluid overstemde, zodat het ons zelfs niet meer opviel.”
„Dat kan. Zulke dingen komen meer voor. Uiteindelijk kende ik haar niet zo goed. Het was jouw tante.”
„Ze kon ook heel stil fluisteren. Ik heb na haar nooit nog iemand zo stil weten fluisteren.”
„Neen, maar dat compenseerde zij met een volmaakte articulatie.”



De Marsianen (een voorlopig rapport)



Het valt op hoe de Marsianen, waar zij zich onbespied wanen, onmiddellijk meer comfortabele houdingen aannemen en veel vrijer spreken:

„GlllâaaRt”
„JUJDNndubsqMtt”
„SuGrrRt”
„Hohohohoho.”

Terwijl zij zich in formele omstandigheden gedragen alsof zij helemaal niet bestaan.



De zwemmende Lorna



Daar waar Lorna inderdaad,
geheel naar afspraak, om de dag,
zo naakt als mogelijk, ging zwemmen
in de baai, deed zij dit op haar zij,
met haar rug gekeerd naar het publiek.
Afbeeldingen als deze zijn dan ook
absoluut niet te vertrouwen en,
doorgaans zelfs, veel te suggestief.



11.10.14

Een bocht van 180°



„Het begon voor u allemaal toen u Een bocht van 180° maakte, dacht ik?”
Een bocht van 180°,” stamelde Harm, kunstenaar van zijn tijd, perplex, wat de geruchten over dementie enigszins bevestigde.
„Ja Harm, wéét je dat niet meer,” viel Tilly, zijn vrouw die ook schildert of iets dergelijks, in. „Met dat volle en knoestige eikenhout! Maanden heb je daar aan gepolijst en nòg vond je dat die bocht niet representatief genoeg was om de zeden van het politiek bedrijf te parafraseren. Later is hij nog op de Grote Markt terechtgekomen en zijn er al die politici aan opgehangen, tijdens die spontane flashmob!”
„Och ja! Ik zie het weer voor me alsof het gisteren was. Ironisch hé, dat het net daaraan moest zijn,” leek Harm zich ineens toch nog iets te herinneren over het maatschappelijk nut van zijn iconisch werk.
„Wat er u toe bracht een reeks gouden galgen te vervaardigen!” wilde ik het interview weer focus geven, nadat Tilly ons koffie bracht.
„O die!” herinnerde zij zich meteen, „Die hebben wij toen meteen kunnen verkopen aan een of ander dictatoriaal regime waar het leger iets in kunst meende te zien.”
„Ja, wat zou daar toch van geworden zijn,” vroeg Harm zich luidop af, „Nooit meer wat van gehoord.”
„Die mensen hebben anders wel keurig betaald hoor,” wist Tilly nog.
„Ja, terwijl ik voor Een bocht van 180° eigenlijk nooit een cent zag,” preciseerde Harm, toch wel meer bij de pinken dan eerder leek „iets met de reglementen voor subsidies werd steeds maar gezegd."



Toch wel gelijk een paard



„Kijk, ik kom er aangegallopeerd, bijna gelijk een paard.”
„Gelijk een paard?”
„Ja. Het zijn toch paarden die galopperen?”
„Jazeker.”
„Gelijk een paard dus.”
„Waarom geen zebra?”
„Een zebra? Hoezo?”
„Dat is ook een paardachtig wezen toch, en het galoppeert ook. Een beetje zoal jij.”
„Gelijk een zebra?”
„Ja. Maar ook als een paard hoor.”
„Ik hou het toch maar bij een paard hoor. Zo ben ik opgevoed.”
„Daar heb je een punt. En je galoppeert ook gelijk een paard hoor. In bredere zin.”
„Ja, dat moet je wel toegeven hé!"