10.6.15

Vannacht


Ook vandaag is iets
onherroepelijks verloren gegaan.
Laten we daar vannacht
van dromen

9.6.15

Dralende mannen



Mits wat oefening herkent u ze wel, dralende mannen, voor een vakbondslokaal bijvoorbeeld.

8.6.15

Ijzeren gedachten



“Ijzeren gedachten zijn het zwaarst!"
“Maar vaak heb je wat hulp nodig om ze te plooien."
“Ik niet hoor."
“Hoezo?"
“Ik smelt ze."
“Tot kleine juwelen of voorwerpen van dagelijks nut?"
“Hoe kom je daarbij?"
“Wat moet je anders met ijzeren gedachten?"

7.6.15

De verdeelde heerser



Blijkbaar na een barre tocht door een louterende woestijn verscheen er eens een verdeelde heerser.
“Laat ik nu eindelijk eens beginnen met heersen,” zei hij hardop, als wilde hij die woestijn vergeten en hij besteeg een hoog balkon om het reeds toesnellende volk toe te spreken.
“Kijk hen daar eens staan,” dacht hij terwijl hij hen minzaam toewuifde,” zij konden mij evengoed onthoofden."
Maar daar dacht het volk niet aan, omdat het in hem de wijsheid van de woestijn vermoedde.
Daarop kuchte de verdeelde heerser en hij begon meteen verdeeld te heersen.
Nu hij op het balkon stond was hij toch de meest aangewezen persoon.

6.6.15

Terugblikkend


“Ben je nu blij dat je tevreden bent?"
"Alsnog wel, ja."

5.6.15

Onze landschappen



Naarmate wij dachten de mysteries te hebben ontsluierd, begonnen wij zèlf onze landschappen te bouwen, waar wij dan met zijn allen in verloren liepen. “Natuurlijk," zo geloofden wij haast zeker, "raken wij er wel weer uit," dat was maar een kwestie van het volgen van een regenboog die tijdig op zou duiken, helemaal op ’t eind, als wij er alleen voor stonden, zonder iemand om wat anders te verzinnen.

4.6.15

Een aforisme van oom Floris



Niet elke stap in de goede richting is er een vooruit!

3.6.15

Andere taal



Er waren ogenblikken waarop zij het niet over hun eenzaamheid hadden, maar elkaar in de war brachten met heel andere taal.

2.6.15

Visioenen



Hij vond van zichzelf dat hij een schilderachtig leven lijdde. Vol avontuur en romantiek. Hij verzamelde ook hobbelpaarden en maakte grote schulden.
“Met het oog op de toekomst…” zei hij dan, tegen eender wie daarover uitleg vroeg.
Wij kenden hem van kindsbeen af en beschouwden hem als een van de onzen. Aan ons moest men dus niets vragen. Zeker niet over zijn visioenen.



1.6.15

Jan en Ingrid (Perfect gelukkig)



"Maar Ingrid, stel nu eens dat een van ons beiden minder gelukkig is dan de andere?"
"Ach Jan, maak je toch geen zorgen, ik ben perfèct gelukkig hoor!"

31.5.15

De boze wolf


"Weet je nog, als kind, hoe bang we waren voor de boze wolf!"
“Ja, dat is nu gelukkig niet meer zo."
“Nee, dat is nu zowat het enige waar we niet meer bang voor hoeven te zijn."

30.5.15

Het niets



Iemand wilde mij absoluut feliciteren met mijn deelname aan het niets. Ik vertelde hem dat ik nooit had deelgenomen aan het niets.
“Maar,” fronste hij zijn wenkbrauwen, “U was toch ook in het theater gisteren? Dan hebt u toch deelgenomen?"
“Ik herhaalde dat ik niet in het theater was geweest, en dat ik ook helemaal niet aan dat soort toneel deelneem.
“O,” besloot hij verbaasd, “Ik dacht echt dat u aan het niets deelgenomen had en dat ik u had herkend. U loopt namelijk erg specifiek. Neem mij niet kwalijk."
Ik nam hem niets kwalijk en hoopte hem te troosten met de woorden dat een mens wel vaker zijn indrukken voor werkelijkheid neemt, al helemaal in het theater. Neen, het zou mij erg verwonderen mocht ik deelgenomen hebben aan het niets, daar ben ik de man niet naar. Ik mag dan al specifiek lopen.


29.5.15

De afloop


Er was eens een man die op een stad ging zitten en rustig een voor een enkele gebouwen bekeek.
“Hoe bedoel je?"
“Hij leek iemand te zoeken."
“Hoe kom je daar bij?"
“Omdat hij zwaaide."
“En dan?"
“Zette hij dat gebouw weer netjes op zijn plaats."
“Dat is goed afgelopen."
“Waarom zou het slecht afgelopen zijn?"

28.5.15

Lachen hier en ginder


“Er wordt toch wat afgelachen in de wereld."
“Zeker. Wij staan daar eigenlijk niet genoeg bij stil."
“Alsof ons lachen de norm zou zijn."
“Precies. Wij kunnen ons dat lachen elders ook niet echt voorstellen natuurlijk. Verwend als we zijn."
“Neen. Mensen kunnen om allerlei zaken lachen natuurlijk."
“Eigenlijk ontbreekt het ons aan werkelijke aandacht voor dat lachen."
“Wat je zegt, en we hebben daarbij natuurlijk ook nog altijd onze eigen dagdagelijkse realiteit om mee te lachen!"